BP05: Ons waterschap gebruikt generieke processen en functies

ArchiMate-modellen > WILMA > Principles > BP05: Ons waterschap gebruikt generieke processen en functies
ArchiMate-element BP05: Ons waterschap gebruikt generieke processen en functies
ArchiMate_Principle.png
Elementtype  : Principle
Element-id  : WILMAWaterschaps Informatie en Logische Model Architectuur (WILMA). De waterschappen willen beter en efficiënter samenwerken met elkaar en in de keten. Concrete kaders helpen bij het sturen van gemeenschappelijke ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld de Omgevingswet. Architectuur is een strategisch hulpmiddel bij het opzetten en (continu) doorontwikkelen van de informatiehuishouding van een organisatie./id-13703068-b181-455a-bf3d-b996a57fd120
ArchiMate-model  : WILMA
Label  : BP05: Ons waterschap gebruikt generieke processen en functies
Documentatie  : Stelling:

Ons waterschap gebruikt generieke processen en functies

Rationale: Waterschappen worden door de overheid geconfronteerd met bezuinigingsmaatregelen en krijgen tevens extra taken. Door te denken in generieke processen en systemen kunnen diensten eenvoudiger worden gedeeld met andere waterschappen en kosten worden bespaard. Ook kan eenvoudiger gebruik worden gemaakt van standaard oplossingen die beschikbaar zijn in de markt en wordt maatwerk voorkomen. Klanten willen de overheid in haar dienstverlening ook zo veel mogelijk ervaren als één organisatie en generieke processen dragen daar aan bij. Gemeenschappelijke diensten hoeven niet in tegenspraak te zijn met het hebben van een eigen identiteit. De "couleur locale" kan grotendeels tot uitdrukking worden gebracht via specifieke beleidskeuzes en de persoonlijke aandacht van medewerkers.

Implicaties:

  • Het waterschap voert processen op een voor elke burger herkenbare manier uit.
  • Processen worden gebaseerd op generieke en landelijk beschikbare procesmodellen.
  • Functionele specificaties worden gezamenlijk met andere waterschappen opgesteld en niet specifiek gemaakt voor de eigen waterschap.
  • Bij het specificeren van functionaliteit wordt een goede balans gezocht tussen genericiteit en voldoende procesondersteuning.
  • Processen en systemen worden niet ingericht op uitzonderingen.
  • Waterschapspecifieke keuzes worden uitgedrukt in (beleids)regels die binnen de generieke processen en functionaliteiten gehanteerd kunnen worden.
  • Er worden alleen waterschapspecifieke beleidsregels opgesteld als dat noodzakelijk is voor de specifieke waterschaplijke context.
  • Er zijn soms concessies nodig bij het inrichten van processen en systemen om ervoor te zorgen dat deze op meerdere waterschappen passen.
  • Applicaties kunnen door meerdere waterschappen worden gebruikt (incl. hun eigen beleidsregels), zonder ze volledig voor alle waterschappen specifiek in te richten, te beheren en te betalen.
  • Als er landelijke voorzieningen of bouwstenen beschikbaar zijn dan wordt daar gebruik van gemaakt om zo waterschapspecifieke oplossingen te voorkomen.
SWC status  : In gebruik
SWC type  : Principe
Object ID  : 13703068-b181-455a-bf3d-b996a57fd120
Object ID_nl  : 13703068-b181-455a-bf3d-b996a57fd120
Original ID  : id-13703068-b181-455a-bf3d-b996a57fd120
Semanticsearch  : bp05: ons waterschap gebruikt generieke processen en functies
ArchiMate-views  : 
Relaties  : 
Contextdiagram
Stelling: Ons waterschap gebruikt generieke processen en functies Rationale: Waterschappen worden door de overheid geconfronteerd met bezuinigingsmaatregelen en krijgen tevens extra taken. Door te denken in generieke processen en systemen kunnen diensten eenvoudiger worden gedeeld met andere waterschappen en kosten worden bespaard. Ook kan eenvoudiger gebruik worden gemaakt van standaard oplossingen die beschikbaar zijn in de markt en wordt maatwerk voorkomen. Klanten willen de overheid in haar dienstverlening ook zo veel mogelijk ervaren als één organisatie en generieke processen dragen daar aan bij. Gemeenschappelijke diensten hoeven niet in tegenspraak te zijn met het hebben van een eigen identiteit. De "couleur locale" kan grotendeels tot uitdrukking worden gebracht via specifieke beleidskeuzes en de persoonlijke aandacht van medewerkers. Implicaties: * Het waterschap voert processen op een voor elke burger herkenbare manier uit. * Processen worden gebaseerd op generieke en landelijk beschikbare procesmodellen. * Functionele specificaties worden gezamenlijk met andere waterschappen opgesteld en niet specifiek gemaakt voor de eigen waterschap. * Bij het specificeren van functionaliteit wordt een goede balans gezocht tussen genericiteit en voldoende procesondersteuning. * Processen en systemen worden niet ingericht op uitzonderingen. * Waterschapspecifieke keuzes worden uitgedrukt in (beleids)regels die binnen de generieke processen en functionaliteiten gehanteerd kunnen worden. * Er worden alleen waterschapspecifieke beleidsregels opgesteld als dat noodzakelijk is voor de specifieke waterschaplijke context. * Er zijn soms concessies nodig bij het inrichten van processen en systemen om ervoor te zorgen dat deze op meerdere waterschappen passen. * Applicaties kunnen door meerdere waterschappen worden gebruikt (incl. hun eigen beleidsregels), zonder ze volledig voor alle waterschappen specifiek in te richten, te beheren en te betalen. * Als er landelijke voorzieningen of bouwstenen beschikbaar zijn dan wordt daar gebruik van gemaakt om zo waterschapspecifieke oplossingen te voorkomen. (Principle) BP05: Ons waterschap gebruikt generieke processen en functies Grouping Basisprincipes Stelling: Bij vernieuwing van de informatievoorziening vindt realisatie van functionaliteiten plaats in de volgorde: 1. Hergebruik eigen voorzieningen 2. Kopen standaard voorzieningen 3. Maatwerk realiseren Rationale: Doelmatigheid: maatwerk brengt hogere kosten met zich mee en vraagt meer capaciteit op het vlak van onderhoud en beheer. Implicaties: 1. Procesaanpassing gaat voor systeemaanpassing, om zoveel mogelijk te voorkomen dat er maatwerk nodig is. 2. Er wordt één applicatie ingezet per type functionaliteit. 3. Bij vernieuwing van informatievoorziening moet de nieuwe functionaliteit goed geanalyseerd worden om te kunnen bepalen of er overlap is met bestaande applicaties. 4. Voor elke applicatie moet bepaald worden voor welke functionaliteit(en) het wordt ingezet. Voorbeelden: Bij aanschaf van een standaard applicatie wordt het werkproces op onderdelen aangepast, zodat de applicatie niet aangepast hoeft te worden. Voor bedrijfs-brede (over meerdere bedrijfsfuncties heen) rapportages wordt één rapportagesysteem gebruikt. Voor tijdregistratie wordt één systeem gebruikt. (Principle) AP07. Hergebruik voor standaard, voor maatwerk. Stelling: Sourcing, zowel voor het uitvoeren van processen, het verzorgen van de informatievoorziening als het verzorgen van de daarvoor benodigde technologie wordt bepaald aan de hand van een vastgesteld afwegingskader. Wat doen we zelf, wat besteden we uit, en wanneer doen we dit in samenwerking (met collega waterschappen en ketenpartners)? Dat is waar het bij sourcing om draait. Afhankelijk van de producten en diensten van een organisatie kan het antwoord op die vraag verschillend zijn. De uitdaging is om tot een optimale ‘sourcingsmix’ te komen die past bij de organisatie. Dit kan aan de hand van een sourcingsstrategie; een afwegingskader om tot een optimale sourcingsmix te komen. De informatievoorziening is verweven met alle primaire en ondersteunende processen. Dat maakt het onmogelijk om over de informatievoorziening als geheel één sourcingskeuze te maken. Er zal per proces of dienst een sourcingsvorm gekozen moeten worden. Rationale: Sourcingsstrategie zorgt voor een gestructureerde afweging van kosten, kwaliteit, kwetsbaarheid en doelmatigheid bij het in eigen beheer houden of uitbesteden (onder regie) van taken. Implicaties: 1. Processen en diensten moeten goed beschreven zijn om sourcingskeuzes te kunnen maken. 2. In geval van langdurige inhuur deze heroverwegen: kiezen voor andere sourcingsvorm (bijvoorbeeld formatie uitbreiden of activiteiten als dienst outsourcen). 3. Het kan personele consequenties hebben wanneer blijkt dat processen en diensten die nu door het waterschap zelf worden uitgevoerd beter door een Shared Service Center of door de markt uitgevoerd kunnen worden. 4. Voor de technologie en informatievoorziening geldt dat er een directe samenhang is tussen de keuze voor cloud (Infrastructure-, Platform- , Software en Data as a Service) en sourcing. Immers, veel beheertaken verschuiven bij een keuze voor cloud naar de leverancier. Er moet cloudbeleid (uitgangspunten en afwegingskader) worden opgesteld in samenhang met het sourcingsbeleid. Voorbeelden: Kern- of regietaak: Met eigen personeel de visie op informatievoorziening bepalen. Tijdelijke capaciteit: Inhuren van een projectleider voor een Windowsmigratie. Tijdelijke kennis: Het (regelmatig) laten testen van de beveiliging van de infrastructuur door een gespecialiseerde marktpartij. Indien een organisatie actief de stap wil vormgeven richting cloud, dan kan ze ze dit opnemen in haar meerjaren informatiebeleidsplan. (Principle) AP06. Sourcing aan de hand van een vastgesteld afwegingskader Stelling: De inrichting van applicaties voldoet aan eisen voor duurzame toegankelijkheid van informatie. Om duurzame toegankelijkheid van informatie te realiseren en te borgen worden bij aanschaf en implementatie van applicaties de richtlijnen gevolgd die gelden voor een goede, geordende en toegankelijke staat van informatie (data én documenten). Rationale: Overheden zijn hiertoe verplicht volgens de Archiefwet. Informatie is het maatschappelijk kapitaal van de organisatie. Het beschikken over betrouwbare, beschikbare, vindbare en bruikbare informatie is van belang voor een goede bedrijfsvoering, democratische controle en cultuurhistorisch onderzoek. Applicaties dienen daarom zodanig te zijn ingericht dat ze de juiste randvoorwaarden scheppen. Implicaties: De implicaties zijn uitgebreid beschreven in de richtlijn RODIN. De belangrijkste punten: 1. Informatieobjecten zijn gekoppeld aan een ordeningsstructuur die is aan te passen zonder de al aanwezige structuur met zijn koppelingen te verstoren. 2. Ieder afzonderlijk informatieobject heeft een uniek identificatiekenmerk (GUID). 3. Informatieobjecten bevatten de voor het beheer benodigde kenmerken, die zijn ontleend aan een vastgesteld metadataschema. 4. De betrouwbaarheid van informatieobjecten is aantoonbaar en gewaarborgd. 5. Informatieobjecten zijn op grond van de geldende selectielijst van een bewaartermijn voorzien en worden na het verstrijken daarvan vernietigd. 6. De applicatie-eigenaar en proceseigenaar zijn samen verantwoordelijk voor een juiste toepassing van deze archieffunctionaliteiten. Voorbeelden: Veel gebruikte decentrale ordeningsstructuren zijn: *Basisarchiefcode *Zaaktypecatalogus Informatieobjecten zijn altijd te herleiden tot de werkprocessen waarin ze zijn gevormd of worden gebruikt. Informatieobjecten zijn altijd terug te vinden op grond van gekoppelde metagegevens. (Principle) AP13. Applicaties ondersteunen duurzaam toegankelijk informatiebehee- r Stelling: Gegevens hebben één authentieke bron en worden rechtstreeks ontleend aan- of zijn direct herleidbaar naar deze bron. Alle gebruikte informatieobjecten zijn afkomstig uit een bronregistratie. Voor betrouwbare dienstverlening is het gebruik van de juiste gegevens en documenten cruciaal. Uitgangspunt is daarom dat er binnen de overheid voor ieder informatie-object één unieke bron bestaat, door NORA gedefinieerd als bronregistratie Rationale: De bronregistratie is de plaats waar het gegeven of document voor het eerst wordt vastgelegd. De eigenaar van de bronregistratie is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de informatie-objecten in de registratie. Bronregistraties kennen diverse verschijningsvormen, bijvoorbeeld databases en registraties, zoals de basis- en kernregistraties, maar ook websites, publicaties, rapporten en wiki's. Voor de overheid als geheel zijn deze bronregistraties leidend. Indien informatie-objecten in meerdere gelijksoortige registraties voorkomen, gelden alleen informatie-objecten in de bronregistratie als betrouwbaar. Om technische redenen kunnen kopieën van gegevensbestanden en documenten noodzakelijk zijn. Deze kopieën worden gevoed vanuit de authentieke bron middels goed geborgde procedures. Als een gekopieerd informatie-object toch afwijkt van de bronregistratie, wordt het object uit de bronregistratie als juist aangemerkt. Implicaties: 1. Ieder waterschap implementeert haar eigen gegevensdienst en ontsluit gegevens waarvan zij de bron is. 2. We borgen de onweerlegbaarheid van de bron van onze gegevens. 3. Landelijke Basisregistratiegegevens worden ontvangen en ontsloten via een centraal distributiepunt (de “aansluiting”). 4. De bronsystemen stellen de data beschikbaar voor interne processen/voorzieningen. 5. Er wordt onderscheid gemaakt in procesgegevens, kerngegevens en basisgegevens. 6. Procesgegevens die alleen binnen een bedrijfsfunctie gebruikt worden, hoeven niet aan alle eisen te voldoen die gesteld worden aan kerngegevens en basisgegevens. 7. Gegevens zijn herleidbaar tot de bron. 8. Opgeslagen gegevens zijn altijd voorzien van voldoende begeleidende informatie ten behoeve van beheer en ontsluiting. 9. Er zijn interne afspraken gemaakt over terugmeldplicht bij constatering van foutieve gegevens. 10. Als eigen kopieën van bronregistratiegegevens worden vastgelegd, dan moeten deze actueel gehouden worden. Dit dient bij voorkeur automatisch te gebeuren. 11. Het bronhouderschap wordt expliciet belegd. 12. Om te voldoen aan de AVG geldt dat persoonsgegevens bij publiekrechtelijke toepassingen moeten kunnen worden herleid naar de authentieke bron (BRP). Voorbeelden: *Een waterschap ontsluit gegevens via haar Kernregistratie Waterschap. *De CDL heeft een aggregatiedienst voor het toegankelijk maken van gegevens uit verschillende bronnen (via PDOK/INSPIRE). *Personeelsgegevens worden in het personeelsinformatiesysteem beheerd en gebruikt in diverse andere systemen. Geborgd wordt dat deze gegevens in andere systemen vanuit het personeelsinformatiesysteem worden geactualiseerd. *Gegevens uit de BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) worden centraal ontsloten vanuit de landelijke basisregistratie. *Als een fout wordt geconstateerd in één van de kernregistraties van het waterschap, dan wordt dit terug gemeld aan de bronhouder. *Als een fout wordt geconstateerd in een (landelijke) registratie, die niet door het waterschap wordt beheerd, wordt dit niet in de afnemende waterschapssystemen aangepast, maar terug gemeld aan de externe bronhouder?. (Principle) AP03. Eén authentieke bron CompositionRelationship SpecializationRelationship geeft concrete invulling aan SpecializationRelationship geeft concrete invulling aan SpecializationRelationship geeft concrete invulling aan SpecializationRelationship geeft concrete invulling aan Deze svg is op 14-06-2021 16:01:55 CEST gegenereerd door ArchiMedes™ © 2016-2021 ArchiXL. ArchiMedes 14-06-2021 16:01:55 CEST